Zoeken
  • Nikki Tondeleir

Aflevering 50: Project Blue Book

Bijgewerkt op: okt 20

Sinds eind jaren '40 was Project Blue Book het UFO onderzoeksproject van de Amerikaanse luchtmacht. Uiteindelijk zou het een goede 20 jaar bestaan, maar over de bijdrage aan de wetenschap en de ernst van de onderzoeken bestaat er grote twijfel. Ontdek in deze aflevering samen met ons de (on)waarheden rond de meldingen die in Project Blue Book verzameld werden door de ogen van J. Allen Hynek, jarenlange medewerker van het project en zelfverklaarde 'skeptic turned believer'.


Voor deze case werd als grootste informatiebron het boek “The Hynek UFO Report” van Josef Allen Hynek gebruikt.



Hynek werd geboren op 1 mei 1910. Zijn fascinatie met wetenschap begon toen hij als kind ziek werd en zijn moeder Bertha hem tijdens die periode voorlas uit een astronomieboek. Zij en vader Joseph waren zelf behoorlijk gefascineerd door het onderwerp; enkele dagen na zijn geboorte namen ze Josef mee op het dak van hun appartement in Chicago om naar Halleys Comet te kijken. Zijn toekomst leek dus bijna in de sterren geschreven te staan.

Tijdens zijn studie zou hij vele uren slijten in de Yerkes Observatory in Wisconsin, wat hem ertoe bracht dat hij werd aangesteld als onderzoeker bij de Perkins Observatory in Ohio, en nadien een onderwijspositie aan de Ohio State University.

Begin jaren 40 zou Hynek een positie aanvaarden bij de Johns Hopkins University in Baltimore, waar hij zou meewerken aan de ontwikkeling van de proximity fuse, het eerste slimme wapen.

Die positie opende natuurlijk vele deuren en zou hem ook naambekendheid geven in hogere rangen en zou hem ook een van de eerste “rocket scientists” maken.

Enkele jaren later zou hij dus door zijn expertise opgetrommeld worden om mee te helpen bij Project Blue Book, toen nog bekend onder de eerste benaming Project Sign.


Project Blue Book ging van start onder die naam in 1952, maar het oorspronkelijke Project Sign zou al eind jaren '40 van start gaan.

Officieel is het nooit 'classified' geweest, maar toch was het heel moeilijk om inzage te krijgen in de documenten, onder het mom dat anders “te veel info zou lekken over experimentele vliegtuigen, raketten en dergelijke”.

Sinds 1975 zijn de documenten volledig openbaar en te bekijken in de National Archives in Washington DC.

In totaal zijn zo'n 13.134 reports zijn te vinden in de Air Force database.


Hynek was in de eerste plaats wetenschapper (astrofysicus), maar werd gegrepen door UFO’s en werd hoe langer hoe meer overtuigd dat het niet anders kon dan dat aliens bestaan. Hij is ervan overtuigd dat er enige waarheid is aan alle reports. Iets wat vandaag nog niet ontdekt is kan algemene kennis zijn voor de bevolking binnen enkele decennia. In eigen woorden zegt hij wel dat het moeilijk is om van elke report te geloven dat het echt is; sommigen waren misschien leugens of hallucinaties, maar in die tijd zouden mensen veel riskeren qua aanzien door hun gemeenschap dat het onmogelijk lijkt dat ze allemaal verzonnen waren. Denk maar aan Betty & Barney Hill.


De vroege meldingen bestonden vooral uit ovalen objecten (flying saucers) overdag en lichten ‘s nachts. De man die de term flying saucer in ons collectief geheugen zou branden was piloot Kenneth Arnold. Op 24 juni 1947 deed hij op weg naar een vliegshow in Oregon een kleine rondvlucht rond Mount Rainer. Eerder zou daar een transportvliegtuig van de Marine neergestort zijn en er zou een beloning van 5000 dollar gegeven worden aan de vinder.

Plots zou Kenneth een blauwachtige lichtflits zien. Het kon niet van een ander vliegtuig komen; het enige nabije vliegtuig vloog te ver. Kort daarop zouden er nog lichtflitsen komen, deze keer maar liefst 9 keer snel achter elkaar. In interviews zou Kenneth zeggen dat de kranten zijn getuigenis overdreven hebben, want wat hij bedoelde was dat de objecten over het water vlogen als schotels, bedoelend op de manier waarop ze zich voortbewogen, niet dat ze er als een schotel uitzagen. Toch zou de term een legendarische status krijgen.


1947 zou het moment zijn dat UFO-meldingen een heuse piek kenden. Alle reports van 1947-1948 zouden doorgeschakeld worden naar ATIC, Air Technical Intelligence Center, op de Wright-Patterson Air Force Base in Dayton, Ohio. Vroege meldingen kon ATIC nog naast zich neerleggen, maar het feit dat sommige meldingen uit hun eigen rangen kwamen konden ze niet negeren (bijvoorbeeld een militaire piloot die een metaalachtig object aan hoge snelheid zag wegvliegen).

Het frustrerende aan deze meldingen was dat er amper harde bewijzen waren. Geen foto’s, geen tastbaar bewijs, …

Van hogerop wou men niet aanvaarden dat zoiets kon zijn. In de ogen van de Air Force had de wetenschap hen geleerd dat vliegende objecten zonder vleugels die aan zo’n hoog tempo konden vliegen simpelweg niet mogelijk waren. “It can’t be, therefore it isn’t” wat helaas zowat HET motto zou worden tijdens het hele project.


Maar de meldingen bleven binnenkomen. Op aanraden van ATIC en met goedkeuring van hogerop zou een project opgestart worden om voor eens en voor altijd het probleem te onderzoeken en uit te klaren: Project Sign, officieel van start gegaan in februari 1948

Dat project zou ongeveer een jaar bestaan, nadien overgaan in Project Grudge en uiteindelijk Project Blue Book heten.


Kort na de opstart zou Hynek, astronoom zijnde, gevraagd worden als technisch adviseur met als doel om waar mogelijk zoveel mogelijk meldingen af te doen als meteorieten, planeten of een andere wetenschappelijke verklaring, waarvan er uiteraard ook tussen zaten. Zelf geeft Hynek toe dat hij in die periode genoot van zijn rol als ‘debunker’, en dat hij soms heel ver probeerde te gaan in zoeken naar verklaringen. Hij meent dan ook dat hij een van de oorzaken zou kunnen zijn dier ertoe geleid kunnen hebben dat het volgende Project Grudge een heel negatieve aard had in het feit dat hun grondslag was dat UFO’s simpelweg niet konden bestaan.


ATIC bleef doorheen de jaren wel meldingen binnenkrijgen, maar er werd geen verdere aandacht aan geschonken. Het was duidelijk dat ze zo weinig mogelijk met mogelijke UFO's of meldingen ervan te maken wouden hebben. Dit zou zo enkele jaren blijven duren, tot er in 1952 een reeks meldingen kwam waar men niet langer naast kon kijken; UFO’s werden gespot in Washington DC.



In de late avond van 19 juli 1952 worden op verschillende basissen in totaal 7 meldingen gemaakt op de radar. Piloten William Brady en SC Pierman, die op dat moment in de buurt vlogen, werden gecontacteerd en beweerden dat ze ook een aantal vuurballen in de lucht hadden gezien, als vallende sterren zonder staart. Jets werden ingezet, maar konden niets vinden.

Vreemd genoeg was het toenmalige hoofd van PBB, WWII veteraan en luchtmachtofficier Edward J Ruppelt, pas dagen later op de hoogte gebracht wanneer hij een reis naar Washington maakte en daar de krant opende.


Edward J Ruppelt


Het weekend daarop zou exact hetzelfde gebeuren. Opnieuw worden jets ingezet, en nu zouden felle lichten opgemerkt zijn die aan hoge snelheid van de piloten zouden weggevlogen zijn.

Piloot William Patterson verklaarde dat hij aan maximumsnelheid achter de objecten aan vloog, maar hij geen enkele mogelijkheid zag om ze in te halen.


Uiteraard was president Truman ook bezorgd over wat boven zijn dak gebeurde. Hij zou zijn man bij de luchtmacht, Brigadier General Robert B Landry contact laten opnemen met Ruppelt, die op zijn beurt zou gezegd hebben dat het een simpele luchtweerspiegeling kon geweest zijn, gecombineerd met temperatuurwisselingen (zoals ook sommige anderen opperden) maar dat hij het echt niet zeker was.


In elk geval wordt er daarop een bijeenkomst gehouden in het Pentagon; de grootste sinds WOII. Hier werd ook al snel duidelijk dat het woord UFO zo weinig mogelijk zou aangehaald worden. Geleid door Head of Intelligence bij de luchtmacht Majoor Generaal John Samford. Vergelijkingen met eenden die op de radar gespot werden, het afzwakken van de waarde van de gegeven getuigenissen, tot ook de theorie van de temperatuurinversie; luchtlagen die ervoor zorgen dat radarsignalen verkeerdelijk bewegende objecten op de grond oppikten... Ze zouden allemaal de revue passeren.

De tactiek van Samford werkte en de pers leek gerustgesteld. Artikels verminderden en met hen ook de meldingen die binnenkwamen.


In het najaar van 1952 zou Project Blue Book van start gaan en zou ook Hynek teruggevraagd worden. Die had in het begin van Project Sign slechts kort in een interimpositie gewerkt.

Nog steeds was zijn doel om een meer astronomische verklaring te zoeken voor de meldingen, zelf ook nog steeds neigend naar de meer sceptische kant en in eigen woorden nog steeds heel tevreden wanneer hij een logische verklaring kon geven aan sommige meldingen.


Aan het hoofd van Project Blue Book zou het een komen en gaan zijn. De leiders waren ook niet noodzakelijk hoog in rang, wat ook wel aantoonde dat er weinig prioriteit gegeven werd aan het project in het algemeen.

Als militairen voerden ze hun taak naar behoren uit, namelijk orders van bovenaf opvolgen, zijnde vanuit het Pentagon uit het UFO aspect zo weinig mogelijk benadrukken en niet te veel commotie uit te lokken.


Hynek begon stilaan wel meer en meer interesse te krijgen in die UFO-kant. Het verbaasde hem dat er niemand leek te zijn in de hogere rangen die ook maar de minste interesse leek te hebben in dat er mogelijks meer was, vooral omdat vele meldingen allemaal dezelfde zaken aangaven (lichten, ovalen metalen objecten, …).


Hier maken we even een tijdssprong naar 1972 en de Hynek Scale.

Een classificatiesysteem als dit zou volgens Hynek een grote bijdrage geweest zijn indien dit vroeger zou gebruikt geweest zijn, in plaats van elke case los van elkaar te zien en afzonderlijk te behandelen.


  1. Nocturnal lights: grootste deel van de sightings. Rood, blauw, oranje of wit, bewegend op een manier die anders is dan vliegtuigen of dergelijke

  2. Daylight disks: de ovalen, metaalachtige ‘flying saucers’ zoals ze hun bekende naam zouden krijgen, vaak aan een enorm hoge snelheid wegvliegend

  3. Radar-visual cases: opmerkelijke detecties op de radar die samenvallen met visuele meldingen

  4. CE-I: close encounters of the first kind: wanneer een UFO van dichtbij te zien is, maar niet in interactie treedt met zijn omgeving of de getuigen (exacte afstand verschilde volgens de verschillende bronnen)

  5. CE-II: close encounters of the second kind: wanneer er interactie is met de omgeving in de vorm van het achterlaten van tastbaar bewijs op de omgeving, mensen of dieren

  6. CE-III: close encounters of the third kind: wanneer wie of wat zich in de UFO bevindt gezien wordt

Van alle 6 de soorten werden er meldingen gemaakt bij Project Blue Book, en zoals eerder gezegd zou het grootste deel daarvan vooral nocturnal lights en daylight disks zijn, maar zeker voor Close Encounters of the Second en Third kind zou er veel tegenkanting en ongeloof komen en zou het afgedaan worden als verkeerde interpretaties van ‘echte’ verschijnselen.

Er werd geen moeite gedaan om patronen of gelijkenissen te onderzoeken, maar elke case werd zoals gezegd puur op zichzelf staand afgehandeld, puur omdat het zo makkelijker was om het af te doen als iets logisch te verklaren “possible balloon, possible aircraft, probably astronomical” maar nooit “possible UFO”

Soms was de minste verwijzing in een getuigenis genoeg om het op die manier te klasseren; iemand vermeldt het woord vogel en ‘het zal dus waarschijnlijk een vogel geweest zijn’.

Zo was er de melding van een vreemd object op 29 juli 1952 in Los Alamos, New Mexico. Meer dan 5 afzonderlijke getuigenissen zouden verzameld worden, maar 1 persoon sprak over het feit dat er, terwijl het witte object in een rechte lijn vloog, ook papieren in het rond vlogen. Gevolg: “probably papers in the wind”.


Zoals hieruit, en ook verder als we de cases bespreken wel duidelijk wordt, zouden de ‘gewone’ burgers hun meldingen ook niet altijd overdragen aan de autoriteiten, Hynek zegt bijvoorbeeld dat hij veel brieven kreeg met de vraag om dit niet door te spelen, of met de klacht dat er gelachen werd met hun intelligentie.

Lokale bureaus zouden ook ontmoedigd worden om alle meldingen door te geven. In een interne communicatie zou namelijk blijken dat ATIC verwacht dat de afweging wordt gemaakt of het de moeite is om naar hen door te spelen, wijzend op een melding die volgens hen er niet toe deed, en ook alleen maar ATIC te verwittigen als het niet op lokaal niveau opgelost kon worden.

Zo zouden sommige bureaus schrik krijgen om nog iets door te spelen en sommige meldingen misschien al vlug afdoen als de hallucinaties van een gek persoon en naast zich neerleggen.


Over naar enkele voorbeelden van meldingen volgens de Hynek Scale:


1. Nocturnal lights:

Hynek zou tijdens zijn aanstelling ook veel meldingen meemaken van collega astronomen. Vreemde lichten zouden opgemerkt worden die zeker niet zouden kunnen afgedaan worden als bijvoorbeeld satellieten. Zo is er deze brief, gestuurd door een astronoom naar PBB (jaartal niet meegegeven):

“Eerst en vooral wil ik het duidelijk maken dat wij competente onderzoekers en observatoren zijn. Wij hebben jaren ervaring en hebben zeer goede kennis van sterrenstelsels en planeten. Ook kunnen wij een meteoriet herkennen wanneer we er een zien. Tijdens meteorietenregens hebben we allerlei soorten en maten zien verschijnen en kunnen deze dus ook identificeren. Uiteraard zijn we ook geschikt in het herkennen van weersveranderingen, vliegtuigen en andere toestellen, ballonnen en andere zaken die verward worden met UFO’s.

Op de avond van onze getuigenis werden we gevraagd door ___ om naar buiten te komen en een object te identificeren dat die had gezien. We renden naar buiten met onze verrekijkers. Wat we zagen was een object, net iets meer rood dan Mars. Het was grote cirkels aan het maken in de lucht. Plots zou het dan tot een halt komen en blijven zweven.

Op het eerste zicht zag het er uit als een planeet, maar door de verrekijker was er te zien dat er iets verbonden was aan het object. De beste manier dat ik het kan beschrijven was dat het leek op zo’n vuurwerkstokje dat in en uit het object leek te gaan.

De oranjerode gloed zou verdwijnen maar het object zou blijven voortbewegen aan onwerkelijke snelheden.

Gelieve rekening te houden met het feit dat dit gezien werd door 7 personen (3 met verrekijkers) en dit voor een langere tijd.

Uiteindelijk zou het object verdwijnen en niet meer terugkeren.

Er was geen geluid te horen. Ook was er die avond geen vliegtuig in die streek, wat best vreemd is, aangezien het zo’n heldere nacht was.

Ik voelde dat ik dit voorval moest melden. Geen enkele van de gewoonlijke Air Force verklaringen kon dit verklaren. Niemand van ons heeft het object sindsdien nog gezien. We zouden het ten zeerste appreciëren indien hiervoor eender welke verklaring gegeven zou kunnen worden.”

Hier zou PBB zelfs niet beginnen om een van hun meest plausibele natuurlijke oorzaken te gebruiken als verklaring.

Classificatie: Unidentified


2. Daylight disks:

Augustus 1952. Om 14:30 zien 2 getuigen nabij Skylight Mountain Arkansas een schijfvormig object. Ze waren overtuigd dat wat ze zagen echt was en probeerden het ook vast te leggen met de camera die ze bij hadden. Helaas was de foto te slecht van kwaliteit om er iets uit op te kunnen maken.

Volgens hun getuigenis had het object geen uitsteeksels of uitlaten en was de diameter 4 keer zo groot als de hoogte ervan, alsof 2 zilverachtige borden op elkaar geplakt waren. Het zou verschillende keren in en uit een wolkenformatie verschijnen en verdwijnen.

Het zou op ongelooflijke snelheid voortbewogen hebben; in 5 seconden zou het een afstand van 5 mijl afgelegd hebben.

De hoofdgetuige was een marineofficier en oorlogsveteraan met 6 jaar ervaring. Tijdens WOII zou hij verschillende militaire missies gedaan hebben waardoor hij bekend was met alle soorten vliegtuigen.

In zijn woorden: “I have been in the Navy since 1946 and have observed many planes and weather balloons and have never seen anything that looked like this object.”

Helaas zou het jaren duren voor ze hun getuigenis zouden overmaken aan Project Blue Book. Ook al was de hoofdgetuige op dat moment zelfs nog actief binnen de marine en kon hij dus makkelijk terug gecontacteerd worden, plus het feit dat hij toch wel aanzien kon worden als een competente en geloofwaardige getuige, werd er toch verder geen follow-up onderzoek rond gedaan.


7 januari 1966, Georgetown, Alabama. Een 18-jarige student meldt een object, 3 a 4 meter in omtrek en zilver van kleur, met een ring die uitsteekt rondom het midden van het toestel. Onderaan was een leuk te zien van zo’n 1,5 meter in omvang. Op het moment dat de getuige het object ziet zou ook zijn polshorloge stoppen met werken. Wanneer het op slechts 6 meter van hem waszou het nog amper 1,5 meter van de grond zweven alvorens na 1 a 2 minuten terug langzaamaan op te stijgen, en nadien aan een enorm hoge snelheid plots terug te verdwijnen.

Volgens de persoon die de getuigenis had afgenomen zag de jongen er betrouwbaar uit.

Voor Project Blue Book was dit natuurlijk een zeer lastige case. Want hoe pak je een melding aan van iets dat slechts enkele meters voor de getuige plaatsvond? Een vliegtuig is dan alvast uitgesloten, net als een ballon. Psychologisch dan? Hoewel de getuige zelf heel geloofwaardig overkwam en ook anderen dit blijkbaar konden bevestigen.

Classificatie: Unidentified


3. Radar-visual cases

Radarmeldingen zouden volgens Hynek de minst betrouwbare zijn omdat er factoren zijn, zoals weersomstabdigheden, die invloed kunnen hebben op de radarbeelden, maar desondanks is dit ook een grote groep meldingen.


De volgende case zou een reeks van zo’n 24 meldingen zijn die over een periode van maar liefst 15 maanden binnenkwamen, van januari 1951 tot april 1952, in en rond de toenmalige Koreaanse oorlogszone.

Zowat alle vormen van radarmeldingen werden gemaakt: er was de standaardmelding van een object dat op de radar gespot werd, maar ook op verschillende radars met ook nog eens visuele bevestiging erbij, zowel op marineschepen als in de toestellen in de lucht.

Bij het report van Project Blue Book zouden naast de meldingen ook charts gezeten hebben die de vliegpatronen van de objecten meedeelden.

Een van de meldingen werd gedaan op 2 februari 1982. Radaroperatoren aan boord van vliegdekschip Philippine Sea kregen de melding van een UFO die aan hoge snelheid vloog aan de kust van Korea. De getuigenis van een commandant zou gesteld hebben dat het object in de eerste minuut een snelheid haalde van 965km/u, de volgende minuut 1448km/u en daarna maar liefst 2896km/u.

3 getuigen hadden het object ook gezien vanop het dek. Zij konden niet geloven dat een gewoon vliegtuig tot deze snelheden in staat was.


4. Close Encounters of the First Kind:

19 mei 1960, Dillingham, Alaska

Hier werd melding gemaakt van een object, 6 tot 7,5 meter diameter, metaalachtig, vergelijkbaar met aluminium. het had 2 soorten tubes of flappen aan de bodem, met in het midden een halfcirkelvormig toestel dat ronddraaide, verder waren er geen ramen of dergelijke zichtbaar volgens de getuigen. Het geluid werd beschreven als zoemend en zuigend.



De lokale onderzoeker zou hier verder aan toegevoegd hebben dat de getuigen ook beweerden dat het object van zeer dichtbij te zien was, dat enige logische verklaring leek te ontbreken en hulp hierbij zeker nodig leek te zijn. Verder onderzoek kwam er ook, hieronder deel van het report aan Project Blue Book door de persoon die de getuigen interviewde:

“Jim ___, doofstom zijnde, communiceerde zijn getuigenis door aan zijn broer Ed, die in zijn naam sprak. Jim was in de tuin toen hij het object zag vliegen. Hij zag dat het object er vreemd genoeg in slaagde om zuigkracht te genereren, want in zijn vlucht nam het 2 lege jerrycans mee op, die onder het toestel begonnen rond te draaien. Hij had schrik dat enkele kinderen die verderop aan het spelen waren ook opgezogen zouden raken. Het toestel passeerde hem op zo’n 15 tot 30 meter. Het zou verder vliegen tot aan een nabijgelegen ravijn, waar het even leek te zakken om dan terug aan hoge snelheid op te trekken. Het was zeker en vast geen ballon en het was metaalachtig.”

Verder in het report zou ook te lezen zijn dat, op het moment van de melding, de lucht helder was, het mooi weer was en er een wind stond van zo’n 24km/uur, waar het object tegenin zou gevlogen hebben.

Verder staat te lezen in het report: “Er lijkt geen logische verklaring te zijn voor de melding. Het is duidelijk dat er iets werd waargenomen. Of alle details van de waarneming correct zijn kan niet bevestigd worden. Hoe dan ook is er geen reden om de juistheid in twijfel te trekken. Het lijkt er niet op dat een alledaags object verantwoordelijk is voor de melding.”

Hoe dan ook zou Project Blue Book er alles aan doen om niet verder te hoeven denken over het feit of het object buitenaards zou kunnen zijn. Er staat een statement in het report dat er op het moment van de melding ook een weerballon met een reflector in die buurt passeerde, maar waar die info dan weer vandaag kwam is niet verduidelijkt.

Hoe dan ook,door die toevoeging wordt alles overboord gegooid, worden de zuigende geluiden en de rondgeslingerde jerrycans genegeerd en stelt PBB zich tevreden met “weather balloon”.


5. Close Encounters of the Second Kind

Volgens Hynek zouden er tussen de 587 unidentified cases zo’n 33 CE-II zitten, hoewel sommigen ook onder de identified cases zitten, maar die dan door PBB afgedaan werden als “psychologisch” of “onbetrouwbaar”.

De volgende is zo’n case die door hen de noemer “psychologisch” kreeg:


24 februari 1959, Victorville California.

De hoofdgetuige was een jongeman die volgens de onderzoeker over een goede algemene intelligentie beschikte. Naast hem zou er nog een tweede getuige geweest zijn, zijn jongere broer.

Vanuit zijn kamer zou de jongen een fel licht zien binnenschijnen. Alleen thuis met zijn broer nam hij de verantwoordelijkheid om het licht te onderzoeken, omdat het te fel was om een gewoon licht te zijn. Ondertussen was hun hond uit schrik ook beginnen huilen en rondlopen.

Eenmaal buiten zag hij een uitgestrekt ovalen object, lichtrood van kleur met paarse golven die van de zijkanten leken uit te komen.

Het toestel begon zijn richting uit te vliegen. Eenmaal in de voortuin zou het op zo’n 3 meter hoogte voorbijvliegen. Vreemd genoeg zou hij het toestel niet meer zien eenmaal het langs hem gepasseerd was.

De jongen gaat naar binnen om zijn jongere broer en de hond te kalmeren, en na enkele minuten zou hij bij het terug naar buiten gaan opnieuw zien dat het toestel terug zijn richting uitvliegt. Op het moment dat het object terug het huis passeert zou nu ook de jongere broer het gezien hebben.

Het object zou het huis nog enkele keren opnieuw passeren op dezelfde manier.

Naast de getuigenis van de jongen zou ook gebleken zijn dat de radio, die voordien nog zeer helder klonk, enkel nog ruis gaf op het moment dat het object passeerde. Wanneer het object weg was, was ook de radio terug normaal aan het werken.

Zo’n 3 kwartier later zouden de ouders terug thuis komen, maar zou de hond zou nog steeds doodsbang geweest zijn. 2 buren zouden verklaard hebben dat ook zij op dat moment last hadden gehad van radioruis, maar verder wouden zij niets kwijt, alsook hun namen niet laten gebruiken.

De onderzoeker zou ook aangeven dat de jongen zeer consistent was in het vertellen van zijn verhaal en op geen enkel moment door de mand viel door een verkeerde uitleg of iets dergelijk. Toch zou Project Blue Book dit dus afdoen als “psychologisch”


23 november 1957.

Hoofdgetuige: eerste luitenant Source van de luchtmacht.

Source keerde terug naar zijn thuisbasis na een uitgebreide survivaltraining. Iets na 6u 's ochtends krijgt hij onderweg autopech. Bij het buitenstappen om de auto te onderzoeken wordt zijn aandacht getrokken door 4 schotelvormige objecten die op zo'n 300 meter verderop op de grond stonden. Na enkele minuten wandelen was hij nog op zo'n 15 meter van de objecten.



Alle 4 de toestellen waren identiek. Ze waren ongeveer 15 meter in diameter, schotelvormig en met een gloed rond zich. Bovenaan in het midden hadden ze allemaal een transparante koepel. Elk hadden ze 3 landingsonderdelen en een ring rondom die op zichzelf leek door te draaien. Dichterbij raakte hij niet, want de toestellen zouden van een lichte hum plots een oorverdovend geluid beginnen maken en opstijgen.

Source zou de landingsplaats zelf verder onderzoeken, maar er zouden nergens bewijzen gevonden worden van enige vreemde aanwezigheid, buiten enkele kleine indeukingen in het zandige oppervlak. Bij het terugkeren naar zijn auto zou die meteen gestart zijn.

Source zou beweerd hebben dat hij op dat moment in uitstekende toestand verkeerde, hoewel hij die nacht, door zijn autorit, slechts enkele uren slaap zou gehad hebben.

De Air Force had uiteraard schrik dat Source zich zou omringen met 'believers' en ze daardoor in een slecht daglicht zouden kunnen terechtkomen. Er werd een psycholoog bijgehaald die het volgende concludeerde:

"Ten eerste is er de mogelijkheid van een opzettelijke hoax, zelfs van een luchtmachtofficier. Om deze mogelijkheid te controleren zou ik een discreet onderzoek aanraden, specifiek bij vrienden, buren en dergelijke die licht kunnen schijnen op de achtergrond van de luitenant.

Het is mogelijk dat de luitenant tijdelijk last had van iets wat "road hypnosis" genoemd wordt, wat veroorzaakt wordt door oververmoeidheid of een tekort aan slaap."

Zonder verder enige informatie in Project Blue Book over de mentale staat van de luitenant wordt ook deze case dus geklasseerd onder 'psychologisch'.


6. Close Encounters of the Third Kind

Onder andere de reeds besproken Kelly-Hopkinsville case.

Officieel werd het nooit onderzocht door Project Blue Book, maar majoor John E Albert deed er toch een formeel onderzoek. Naar zijn woorden zou hij, na het nieuws te horen op de radio en zelf in de buurt van de melding te zijn, contact opgenomen hebben met de basis. Zij zeiden hem dat zij niet op de hoogte waren maar aangezien hij in de buurt was, gerust naar daar op onderzoek mocht gaan.

Helaas zou er in de files ook veel onwaarheden over de Langfords staan, die hen in een slecht daglicht stellen, dat Glennie op die avond naar een religieuze bijeenkomst was geweest en zij en haar familieleden in een soort hysterische waan beland waren en emotioneel onstabiel waren geworden. De meeste van die uitspraken zouden blijkbaar gekomen zijn van Deputy Sheriff Patts, een gezworden skepticus.

Hynek zelf zegt niet betrokken te zijn geweest bij deze zaak, maar dat hij wel een poging had gedaan om te onderzoeken of er op dat moment een rondreizend circus in de stad was (wat dus niet het geval was, zoals we zagen in de case zelf toen we deze besproken).

Het liefst van al wou Project Blue Book met deze soort meldingen zo weinig mogelijk te maken hebben. Een kapitein van de Air Force zou nog de uitspraak gedaan hebben "Ik was zelf niet het minste betrokken bij dit onderzoek, maar ik was ook niet het minste geïnteresseerd in deze zaak."


23 oktober 1965, 19u15.

De getuige zou op de Minnesota Highway 27 autopech krijgen, net op het moment dat hij een vreemd object ziet. Deze keer stond het echter in het midden van de baan. De auto zou tot stilstand gekomen zijn tot op slechts 6 meter van het toestel. Wanneer de man uitstapt merkt hij 3 kleine wezens op die van de achterkant van het toestel komen. Hij beweert dat zowel hij als de wezens een goede 3 minuten lang stilstonden en elkaar aankeken. Of dat dacht hij toch, want de wezens hadden geen ogen. Verder zouden ze cylindrisch van vorm geweest zijn, bruin of zwart van kleur, en lopend op een soort van vinnen.

Na die 3 minuten zouden de wezens onder hun toestel duiken, waarna het langzaam zou beginnen opstijgen. Wanneer het toestel weg was, zou ook de wagen van de man terug starten. Helaas zou de man zelf, buiten water en olieplekken geen bewijs vinden op de landingsplaats, net als de sheriff van het nabijgelegen dorpje die kort erna op onderzoek ging.

Hynek zou bij deze zaak betrokken geweest zijn via verschillende telefoongesprekken met die sheriff. Blijkt dat er ook enkele jagers waren die het object toen ook gezien hebben, en ook 4 getuigen die het toestel effectief hebben zien opstijgen.

Het toestel zou nergens op de radar opgepikt zijn, maar zou wel ook gezien zijn in enkele andere nabijgelegen dorpen.

Helaas zou ook hier geen officieel onderzoek door Project Blue Book van komen en sloten ze deze case gewoon af. Hynek beweert wel zelf de case verder onderzocht te hebben, maar zonder daarvan iets over te maken aan de Air Force.


Project Blue Book zou eind jaren '60 op zijn einde lopen. In de files zelf is hier echter weinig over de aanleiding daartoe terug te vinden, maar Hynek zat natuurlijk grotendeels aan de bron.

Om te beginnen was het al een tijd duidelijk onder de Project Blue Book crew dat de Air Force een eervolle manier zocht om het doorlichten van UFO meldingen stop te zetten.

Jammer genoeg viel dat samen met pogingen binnen het onderzoeksteam om hun procedures net beter te maken. Hynek vertelt dat deel van hun actie was dat hij een brief had overgemaakt aan majoor generaal Ed LeBailly, met de vraag om een extern wetenschappelijk panel aan te stellen om de reports na te kijken.

Het initiële plan zou hierbij geweest zijn dat verschillende teams uit verschillende universiteiten cases zouden onderzoeken met als doel om te bepalen of die bepaalde cases het waard waren om verder wetenschappelijk te onderzoeken (lees: dus niet of deze cases mogelijks buitenaards zouden kunnen zijn).

Dit zou echter niet gebeuren; het onderzoek zou in handen komen van 1 team, dat van the University of Colorado, onder leiding van Dr Edward U Condon. En zo werd in oktober 1966 de Condon Committee geboren.


Dr Edward U Condon


Het comité zou het naslagwerk “The Scientific Study of Unidentified Flying Objects” publiceren, wat bekender is geworden onder de naam “Condon Report”.

Al vanaf het begin leek het comité gedoemd tot falen, niet in het minste door de overtuigingen van de leden van het comité. Er was zeer weinig coherentie in de samenwerking en een grote onderlinge strijd.

Het report dat het comité uiteindelijk opstelde kwam in het voorjaar van 1969 tot uiting. Het zou de uiteindelijke aanleiding zijn tot het stopzetten van PBB in de zin dat het als besluit zou concluderen dat de Air Force er alle baat bij zou hebben om zich te ontdoen van Project <Blue Book.

Vreemd genoeg stelt Hynek wel, dat wanneer je verder kijkt dan het besluit van Condon, het document op zich wel het bestaan van UFO’s het voordeel van de twijfel lijkt te geven.

Het volgende statement hierover luidt:

“Het Condon Report op zich is moeilijk te lezen, deels door de organisatie ervan. Om het te begrijpen moet men het gros van het report bekijken. Het volstaat niet om besluiten en samenvattingen te lezen. Er zijn verschillen in de opvattingen en conclusies van de verschillende auteurs van de verschillende hoofdstukken, die op hun beurt ook nog eens verschillen van het besluit van Condon. Condon’s hoofdstuk bevat veel van zijn persoonlijke overtuigingen, waaronder het feit dat niets van wetenschappelijke waarde zal voortkomen uit verdere onderzoeken.”

Hynek geeft in zijn boek enkele van de bevindingen weer, wat volgens hem onmogelijk lijkt dat Condon deze zomaar naast zich kon neerleggen:


McMinnville, Oregon, 11 mei 1950


“Dit is een van de weinige UFO meldingen waarbij alle onderzochte factoren (Geometrisch, psychologisch en fysiek) consistent blijken te zijn met de beweringen van de getuigen. Het kan niet volledig uitgesloten worden dat dit gefabriceerd was, maar toch zijn er verscheidene factoren zoals de nauwkeurigheid van de optische metingen op de originele negatieven die dit tegengaan.”


Het comité zou een duidelijke interne strijd voeren in termen van visie, en daardoor zou er ook veel verloop van medewerkers zijn. 1 groep wou zo veel mogelijk onderzoeken en de origine van de objecten te weten komen, en daarbij mogelijks de weg van het buitenaardse volgen, terwijl de anderen de buitenaardse theorie nonsens vonden en de oplossing tot deze meldingen de psychologische staat van de getuigen was.

Hun discussie zou zodanig de wel-niet kant belichten, dat de kans werd gemist om te onderzoeken of deze meldingen eventueel een ander fenomeen konden geweest zijn.

In Hynek’s woorden: “Ze braken de eerste regel van de wetenschap: eerst de feiten op een rijtje hebben vooraleer tot een theorie te komen.”

Uiteindelijk zou het comité er niet in slagen om een derde van hun onderzochte cases te verklaren. Maar het had wel zijn werk gedaan, want op 17 december 1969 zou Project Blue Book officieel worden stopgezet. De uitleg was dat “op aanraden van Dr Condon (en dus niet het gehele comité) er geen reden was om PBB verder te zetten aangezien het bestaan ervan niet langer gerechtvaardigd kan worden op grond van staatsveiligheid of wetenschappelijke interesse”. Dat was ook hetgene wat naar buiten werd gebracht aan het grote publiek: De wetenschap heeft gesproken; UFO’s bestaan niet en de duizenden meldingen kwamen van mensen die ofwel een bestaand object verkeerd hadden ingeschat of mentaal onstabiel waren.

En zo eindigt het verhaal van een onderzoeksprogramma dat zoveel potentieel had kunnen hebben, maar nooit ten volle tot uiting is gekomen.










Nuttige links:

http://www.cufos.org/index.html

https://theuncoverreality.in/2020/09/02/the-hynek-scale-is-a-six-item-system-for-classifying-ufo-sightings-and-alien-contact-astronomy/

https://www.theatlantic.com/technology/archive/2014/06/the-man-who-introduced-the-world-to-flying-saucers/372732/

https://www.washingtonpost.com/local/the-month-that-et-came-to-dc/2012/07/20/gJQAZp2ayW_story.html

https://www.washingtonpost.com/archive/lifestyle/2002/07/21/50-years-ago-unidentified-flying-objects-from-way-beyond-the-beltway-seized-the-capitals-imagination/59f74156-51f4-4204-96df-e12be061d3f8/



26 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven